Een concrete vlieg

Onlangs bezocht ik een expositie bij de Marspoort Galerie, in het kader van de manifestatie Zutphen Concreet. Op diverse plekken in de stad was concrete kunst te zien.

Concrete kunst is een aanduiding voor abstracte kunst die – vrij naar het manifest van naamgever Theo van Doesburg – universeel en duidelijk moet zijn, vooraf bedacht en opgebouwd uit zuiver vlakken en kleuren, zonder sentiment of natuurlijke eigenschappen, en het werk moet geen andere betekenis hebben dan ‘zichzelf’.

Zutphen Concreet

Beetje gekke benaming eigenlijk, concrete kunst. Bij ‘concreet’ denk ik inderdaad aan helder en duidelijk. Maar ook aan praktisch, realistisch. Aan ‘wat bedoelen we nu eigenlijk echt.’ Als in: “Om het even concreet te maken: ‘facilitaire assistentie verlenen’ houdt in dat je de wc’s schoonmaakt.”

Bij concrete kunst is echter niks realistisch te vinden, dat is hartstikke abstract.

Of toch?

In de Marspoort Galerie zag ik een bezoeker die een van de schilderijen wel van heel erg dichtbij bekeek. Hij ging er zelfs op zitten! Ik dacht eerst:  “Wat zit daar toch? Is dat vlekje, een accent, hoort dit erbij? Dat zal toch niet…want de rest van het werk is zo strak.” Toen zag ik iets bewegen.

Het was een vlieg. Hij was midden op een crèmekleurig vlak neergestreken en zat daar vermoedelijk al een hele tijd. Ik moest ervan grijnzen. Schande, schaam je, vlieg! Hoe durf je op zo’n soort werk te gaan zitten, waar absoluut geen natuur in mag, en waar het zo opvalt!

Het was interessant om te zien hoeveel effect die ene vlieg had. Het deed me denken aan een scène uit The Muppet Movie, waarin Kermit de Kikker een tweedehands auto koopt. Er valt niet te onderhandelen met de louche verkoper, want ‘je betaalt de prijs die op het prijsbordje staat’. Nou, dat komt mooi uit, want als het onbehouwen (monsterachtige) hulpje van de verkoper een vlieg doodmept op het bordje, staat er door de vlek die dat maakt ineens 11,95 dollar, in plaats van 1195….Verkocht!

Zoveel kan een vlieg uitmaken.

Gelukkig voelde ik geen behoefte om de vlieg dood te meppen, zelfs niet om hem weg te jagen. Een andere bezoeker (gewoon een mens dit keer, hoor) deed dat wel. De vlieg vloog even weg, maar kwam meteen weer terug. Nu zette hij zich neer op een donkerblauw stuk, waar hij goeddeels verdween in de achtergrond. Het schilderij zag er weer uit zoals het hoorde, als een concreet kunstwerk.

Grappig toch: het was pas echt concreet zonder zoiets concreets als een vlieg erop.

 

http://www.marspoortgalerie.nl

 

 

 

 

Advertisements

De magie van het maken

“Dat rode ding aan de muur! Mooi he!” Ik wijs naar een kunstwerk aan een van de wanden van Loods 6 in Amsterdam. Ik ben op de eindexpositie van de Nieuwe Akademie Utrecht (NAU, ‘mijn’ academie) en val meteen voor het werk van August Robin Peters. Hij schildert, installeert en maakt sculpturen.  Van karton, doek, lappen stof, plastic flesjes, alles in helle kleuren.  Tof. Vooral dat rode ding. Het beeld dwarrelt nog dagenlang door mijn hoofd.

august robin peters

(‘het rode ding’, hier in een andere opstelling)

“Kijk, deze!”  Vriendin Cheryl wijst naar een werk van mij, in Galerie Agnes Raben in Vorden.  “Deze vertelt een heel verhaal.”  Het gaat om een vrij minimalistische collage, in felle kleurtjes,  groen,  geel en zwart.  We staan ons allebei te verwonderen. Maf is dat toch. Of nee, beter gezegd: magisch is dat toch.

Dat kunst kan bestaan uit een rood geschilderde en vervormde kartonnen doos. Of uit een groen stuk papier met gele stukjes papier erop – want daar hebben we het feitelijk over. Dat het op de een of andere manier veel  meer is dan dat.  Dat het echt iets IS. Iets anders, iets eigens. Dat het is uitgetild boven dat rode karton of dat gele papier, dat het een eigen leven heeft gekregen. Dat het een verhaal vertelt, associaties oproept, gevoelens raakt, inspireert, ontroert.

collage 4 (2017) web groot

En wat helemaal magisch is: niet elke beschilderde kartonnen doos of stuk papier raakt en gaat leven. Die blijft gewoon wat het feitelijk is: karton, papier. Maar sommige werkstukken…die kloppen. Wat is dat toch? Hoe heeft de maker dat voor elkaar gekregen? Was het de concentratie van het moment? Het gevoel waarmee het gemaakt is, of het idee dat erachter zat? Iets vaags als ‘inspiratie’? Of is het zomaar toevallig?

Ik weet het niet precies. Misschien een beetje van alles. Natuurlijk heb ik hier vaker over nagedacht; ik ben alweer heel wat jaartjes kunst aan het maken. Maar een echt goed antwoord heb ik er nog steeds niet op. En eigenlijk is dat maar goed ook.

Als ik het wel zou weten, zou het magische er namelijk meteen vanaf zijn. Dan wordt het een trucje dat ik kan herhalen. Dan ben ik niet meer aan het maken, maar aan het produceren. Dan is het geen zoeken en zwoegen en plotseling vinden meer. Zonde toch? Want juist in het zoeken zit de ontwikkeling, en in het vinden de magie.

 

http://www.nieuweakademie.nl

http://www.augustrobinpeters.com

http://www.galerieagnesraben.nl

 

 

Handwerk

Onlangs was ik op de open dag van biologisch dynamisch kruidenbedrijf Het Blauwe Huis. Met rondleidingen, lezingen, pittige soep, heerlijk ijs, muziek en gezelligheid.  Een feestje!  Ik ben groot liefhebber van open dagen: het is altijd zo leuk om bij dit soort bedrijven een kijkje in de keuken te krijgen – of liever gezegd, in de tuin. Je steekt er ook altijd wel wat van op.

Ik vergaapte me bij het Blauwe Huis aan de lange rijen kamille, gouds- en korenbloemen; prachtig, wat een kleur!

Het was interessant om de tuinder te horen vertellen over zijn experimenten op dit nieuwe stuk grond. Wat was de beste plek om te telen? Waar zit het meeste water? Kun je de goudsbloemen het beste opkweken en uitplanten, of toch liever direct zaaien? Er komt een hoop bij kijken…

Wat echter de meeste indruk maakte was een ogenschijnlijk heel simpele demonstratie op de inpakafdeling. In een bijgebouwtje stonden een paar tafels met daarop plastic zakjes, etiketten, kruiden, een weegschaal en een seal-apparaat.

Alle bezoekers mochten zelf een zakje frietkruiden vullen. Maar wel op de juiste manier! Dus eerst twee etiketten erop, op de voorkant en de achterkant, en netjes recht. Dan de juiste hoeveelheid kruidenpoeder in het zakje doen – 20 gram in dit geval.

Hoeveel schepjes zouden dat zijn? Ik begon voorzichtig. Ik wilde ook niet te hebberig overkomen (want dat zakje mocht mee naar huis). Hm, 5 gram nog maar? Een flinke schep erbij dan. Goh, 14? Nu nog een klein beetje…Ik stond dus een beetje te emmeren, in tegenstelling tot de vaste medewerker, die met een ervaren hand, hup, in 1 keer exact tot 20 gram kwam. Het zakje dicht maken was eenvoudig: zakje in apparaat steken, voetpedaal indrukken en klaar! Een gesealed zakje, met een gaatje voor het ophangen aan het rek in de winkel.

OK, het was op zich niet spectaculair. Maar het deed me wel beseffen hoe ongelooflijk veel werk er voorafgaat aan dat ene zakje kruiden dat ik in de winkel koop. En vooral ook: hoeveel handwerk.

Al die prachtige bloemen en kruiden worden door mensenhanden gezaaid, gekweekt, geplukt, gedroogd, gemengd, verpakt. Natuurlijk komen er ook wel wat machines aan te pas, maar het grootste deel is handwerk.

Dat was toch even een eye-opener, en ik merkte hoe blij ik er van werd. Het voelde zo veel fijner dan de gedachte aan een lopende band met bakken kruiden die door een trechter gespuwd worden, geplet worden, automatisch in een zakje terecht komen en dan door een robot in een doos worden gedaan. Of zoiets. Ik probeerde me een voorstelling te maken van hoe dat zou gaan, en brak mijn gedachten maar snel weer af. Bah. Nee. Te liefdeloos, te weinig gevoel, te groot, te massaal.

Mensen doen niet alleen het werk, maar zijn ook de ambassadeurs van een bedrijf. Want hoe gezellig is een machine? Heb je daar een fijne collega aan? Maakt die ook een enthousiast praatje met mij (“Het is geen moeilijk werk, maar je moet er wel je hoofd bij houden”) of bakt ‘ie taarten voor de open dag?

Mijn waardering voor handwerk was al groot, maar heeft zich nog verder verdiept. Bedankt Blauwe Huis!

http://www.stichtinghetblauwehuis.nl/open-dag/

16 juni t/m 25 augustus: ‘Happy bee landscapes’

Van welke landschappen worden bijen gelukkig? Dat is een van de vragen die gesteld worden in de expositie ‘Happy Bee Landscapes’ in Museum Opsterlan, Gorredijk.

Een sympathiek initiatief, waar ik graag aan meedoe.

Mijn antwoord op die vraag?

Nou, van dezelfde landschappen als waar ik zelf ook gelukkig van word: rijk grasland met ‘onkruid’ als paarden- en pinksterbloemen, klaver en zuring. Akkers met ingezaaide bloemen aan de rand; klaprozen, margrieten, zonnebloemen. Landschappen zonder UMTS-masten, maar met kleur en rafelrandjes.

happy bee landscape 1 web groot

Voor meer info: http://www.museumopsterlan.nl

Overbodig

Soms voel ik me overbodig. Vooral als het met de kunst en de creativiteit even niet zo wil vlotten, verzand ik weleens in gedachten als ‘alles is al gedaan, wat heb ik er nou nog aan toe te voegen?’ Musea vol kunst, galeries vol kunst, zoveel kunstenaars en creatievelingen… Vertwijfeld vraag ik me dan af of Picasso zich ook wel eens overbodig voelde. Of Rembrandt, of Corneille.

Gelukkig heb ik tijdens mijn kunstopleiding een scriptie moeten schrijven. En gelukkig moest ik daarvoor een heel ingewikkeld boek lezen, in het Engels ook nog. ‘On line’ heette het, en het ging over de geschiedenis van de lijn – iets wat mij erg boeit.

Het boek bleek zo ingewikkeld dat ik bijna een hekel aan lijnen of tekenen of kunst in het algemeen kreeg, maar toch worstelde ik me er doorheen. Ik las over beweging, over het persoonlijke of juist niet-persoonlijke, over ruimte en oneindigheid, over lijnen op papier of buiten het papier, over afhankelijkheid, zelfstandigheid. Heel interessant, vond ik, toen ik het Engelse vakjargon eindelijk een beetje begon te begrijpen.

Al die thema’s zijn in meerdere periodes door uiteenlopende kunstenaars onderzocht. Vele kunststromingen volgden elkaar op, soms met vergelijkbare uitgangspunten, soms ook totaal tegengesteld. Wat een veelheid! Het lezen van dat brok geschiedenis was aanvankelijk, naast ingewikkeld en interessant, ook nogal ontmoedigend. Alles is al gedaan…

Het boek leerde me echter ook dit: ja, alles is al gedaan. Maar: alles komt ook steeds weer terug. Alle kunstenaars borduren altijd, per definitie, voort op wat de kunstenaars vóór hen hebben gedaan. Ze werken met dezelfde thema’s, komen op soortgelijke gedachten, maar voegen altijd iets toe: hun eigen ideeën of handschrift, beïnvloed door de tijd waarin zij leven en de mogelijkheden die dat met zich meebrengt.

Toen ik me dat eenmaal realiseerde kon ik opgelucht doorgaan. Overbodig? Welnee, je bent nooit overbodig! Je voegt altijd iets toe. Iets van jou, iets van nu. Dus neem een kopje thee, en teken lekker verder. Deed Picasso vast ook.

Verschenen als column in Contact editie Zutphen/Warnsveld

 

 

Hoe kinderen kijken

In mijn vorige blogje vertelde ik dat ik altijd een beetje moeite heb met praten over mijn kunst.

Dat ik het liefste heb dat mensen er vooral eerst naar kijken – en niet meteen gaan vragen waar het over gaat of wat ik er mee bedoel. Gisteren, op wederom een opening in Vorden, dit maal in Galerie de Burgerij, merkte ik dat ik daarin niet de enige ben.

Lutz Gierig, die in de tentoonstelling  ‘De magie van de lijn’ abstracte schilderijen/collages laat zien, kreeg op eigen verzoek het woord om iets over zijn werk te vertellen. Het bleek een speech naar mijn hart.

De magie van de lijn

“Eigenlijk moet je over kunst niet vertellen; naar kunst moet je kijken,” begon hij, “maar ik ga er nu toch iets over zeggen.” Vervolgens nodigde hij de aanwezigen uit om ‘zonder gedachten’ naar zijn werk te kijken. In Nederland, zei hij, lijkt men dat ietsje makkelijker te doen dan in thuisland Duitsland, daar wordt er helemaal flink op los geanalyseerd. Maar voor bijna alle volwassenen lijkt het erg moeilijk, dat ‘gedachteloos kijken’.

“Dan komt er zo iemand die kunstgeschiedenis heeft gestudeerd, en die gaat meteen vertellen dat het werk verband heeft met die en die stroming, en vertelt me waar mijn eigen werk over gaat. Oh ja, vraag ik dan, gaat het daar over?” Ook van audiotours moet hij niet zoveel hebben. “Dan lopen al die mensen met een koptelefoontje op, en luisteren ze naar wat ze zien, in plaats van het zelf te zien.”

Liever ziet Gierig hoe kinderen kijken. Die gaan op de grond zitten, staren een tijdje voor zich uit en zeggen dan ineens: ‘Kijk, een streepje op de muur!’ en wijzen naar een kleine schaduw. Ze kijken gewoon naar wat er is, zonder het meteen te analyseren.  Ze zitten nog niet zo vol met informatie, weten niks van kunstgeschiedenis of stromingen. Reageren doen ze puur vanuit zichzelf.

Voor Gierig is die ‘leegte’ ook noodzakelijk om werk te kunnen maken. “Als ik na een drukke dag thuiskom, ga ik echt niet meteen werken. Dan ga ik wandelen, de natuur in. Ik moet mezelf eerst leeg maken. En als ik dan ga zitten, dan pak ik een kwast, of een pen, en dan laat ik het ontstaan. Ik bedenk niks van te voren. Waar het dan over gaat? Het gaat nergens over. Dat hoeft ook helemaal niet. De beeltenis staat in de eerste plaats op zichzelf. Het is wat het is.”

PS: maar stiekem vond ik het wel ergens over gaan. Voor mij ging het over vlakken, ruimtewerking, contrast, prachtig zwart, en soms ook over lijnen…

http://www.deburgerij-vorden.nl